In de Nederlandstalige secundaire scholen in Brussel ontvangt één leerling op de vijf een schooltoelage (21%). Dit cijfer, dat exact hetzelfde is als voor de scholen in Vlaanderen, roept vragen op, zegt Vlaams Volksvertegenwoordiger Paul Delva (CD&V) die de informatie opvroeg bij de minister van Onderwijs.
In zijn antwoord op de vraag van Paul Delva geeft minister Vandenbroucke aan dat, op basis van de beschikbare gegevens van vorig jaar, heel wat kinderen in Brussel specifieke “leerlingenkenmerken” vertonen. Die kunnen wijzen op een moeilijke sociale situatie:
- het opleidingsniveau van hun moeder ligt vaak laag (34% in Brussel t.o.v. 25% in Vlaanderen);
- de buurt waarin de leerlingen wonen vertoont heel vaak een schoolse achterstand (65% in Brussel t.o.v. 24% in Vlaanderen);
- het aantal kinderen met een andere gezinstaal ligt hoog (51% in Brussel t.o.v. 8% in Vlaanderen).
Op drie van de vier indicatoren die sinds het nieuwe financieringsdecreet de berekening van de werkingsmiddelen voor scholen bepalen (lage opleiding moeder, buurtindicator en gezinstaal) tikken de leerlingen uit het Nederlandstalig onderwijs in Brussel dus opmerkelijk meer aan dan leerlingen in het Vlaams Gewest. Dit geldt vreemd genoeg niet voor de vierde indicator: het ontvangen van een schooltoelage.
De minister bevestigt dat de vier indicatoren sterk samenhangen. Logisch: kinderen in een moeilijke sociale situatie hebben sneller recht op een schooltoelage… Hij noemt het dan ook “opvallend” dat het percentage schooltoelagen in het secundair onderwijs identiek is voor Brussel en Vlaanderen. Normaliter kan immers verwacht worden dat het aantal kinderen dat in Brussel een schooltoelage ontvangt, een stuk hoger zou moeten liggen dan in Vlaanderen. De minister heeft aangegeven dat hij dit verder zou onderzoeken.
Paul Delva: “Veel ouders in Brussel, veelal uit kansarme milieus, weten waarschijnlijk niet dat ze een schooltoelage kunnen aanvragen. Ondanks de vele inspanningen die o.a. de scholen leveren om hierover informatie te verschaffen, blijken er nog barrières te bestaan (o.a. taal). Daarom moeten de bestaande communicatiecampagnes versterkt worden, en moet de samenwerking met bepaalde actoren, zoals LOP Brussel (Lokaal Overlegplatform) en het regionaal integratiecentrum (de Foyer) opgevoerd worden.”
Info: Paul DELVA Vlaams parlementslid gsm 0475 54 94 36
