Naar Nederlands voorbeeld zouden we nog veel sneller, reeds van voor de geboorte, begeleiding en screening van (Brusselse) gezinnen moeten voorzien. Deze screening moet in kaart brengen of een gezin baat heeft bij frequente opvolging voor en na de geboorte, tot bij de start van het kleuteronderwijs. Deze begeleiding spitst zich toe op taalontwikkeling en ‘leren spelen’. Er werden de afgelopen jaren al stappen in die richting gezet, met samenwerkingsverbanden tussen belangrijke partners, maar die moeten we uitbreiden.  Dat zal ook van organisaties, overheden en instellingen meer energie vragen, maar als het de ontwikkelingskansen van onze jonge Brusselaars ten goede komt: graag.

 

Doorgaande lijn

CD&V Brussel is al jaren vragende partij voor het creëren van een doorgaande lijn: een warme en vlotte overgang tijdens nieuwe fasen in het leven van jonge kinderen. Van de voorschoolse fase (die al dan niet gepaard gaat met kinderopvang) naar het kleuteronderwijs, van het kleuteronderwijs naar het basisonderwijs, de schotten tussen onderwijs en buitenschoolse kinderopvang… het zijn allemaal kantelmomenten waarvan we willen dat ze zo vlot mogelijk kunnen verlopen. De kloof moet met andere woorden minimaal zijn. Zowel naar begeleiding toe als inhoudelijk. De eerste stappen werden hiervoor de afgelopen jaren al gezet, maar men kan nog verder gaan.

“In de eerste levensjaren komen baby’s en peuters met verschillende personen in contact, met of zonder hun ouders. Dat gaat dan over de consulent bij Kind & Gezin, de kinderverzorging in de kinderopvang, kleuterjuffen of meesters, gemeentelijke opvang en ga zo maar door. Het is cruciaal dat deze mensen op een bepaalde manier in staat zijn om informatie over het kind te verkrijgen, te verwerken of bij te sturen voor anderen. Om een zo goed mogelijk beeld van een kind te hebben is het interessant de omgeving van een kind al te verkennen, nog voor het geboren wordt,” volgens Paul Delva.

Op 6 september bezocht een CD&V-delegatie, samen met partners uit de kinderopvangsector en het onderwijs, het project ‘voorscholen’ in Breda. De aanpak die men in Breda hanteert biedt eveneens mogelijkheden voor Brussel. Ouders worden er tijdens de zwangerschap al begeleid door medewerkers van een soortgelijke organisatie als Kind & Gezin bij ons, in zeer nauwe en intensieve samenwerking met de lokale overheden, kinderverpleegkundigen, pedagogische ondersteuningsdiensten en scholen. Op basis van deze contactmomenten, die voornamelijk plaatsvinden bij de toekomstige ouders thuis, kunnen begeleiders inschatten of er bijkomende hulp zal nodig zijn tijdens de eerste levensmaanden -en jaren van het kind. Alle partners worden meteen betrokken waardoor kinderen en gezinnen vanuit verschillende invalshoeken gesteund kunnen worden.

Andere cultuur

“De cultuur is in Nederland in dat opzicht anders. Men schrikt er minder van een nogal directe aanpak waarbij men letterlijk in de levenswereld binnenstapt. Dat geeft echter wel het beste en meest waarheidsgetrouwe beeld. Het zorgt daarnaast ook voor minder afstand tussen gezinnen en de begeleidende organisaties. Deze laatsten doen er dan ook alles aan om zich zo laagdrempelig mogelijk op te stellen met alle begrip voor de persoonlijke thuissituatie van de gezinnen.

Paul Delva: “Het is misschien minder de stijl die we in Vlaanderen en België gewoon zijn, maar als het gaat over de ontwikkelingskansen van onze jonge kinderen moeten we misschien ook wel uit onze comfortzone durven te komen.”

Het is deze vroegtijdige screening die in het oog springt. Men kan snel inschatten welke talen er in het gezin aanwezig zijn, maar ook hoe de visie is ten opzichte van de opvoeding in het algemeen. Eén van de focuspunten in Breda is het begeleiden van ouders rond het leren spelen met hun kind en het hebben van aandacht voor taalontwikkeling. Voor kinderen is spelen en spelenderwijs leren de meest toegankelijke manier om zich te ontwikkelen. Voor ouders lijkt dat soms een moeilijke opgave te zijn, omdat ze niet altijd weten hoe ze eraan moeten beginnen. Begeleiders, bijvoorbeeld stagiairs uit pedagogische opleidingen, ondersteunen hen hier actief bij. Het moet een mooie samenwerking zijn tussen kind, begeleider én ouder.

Halt bieden aan achterstand

Niet elk kind heeft de kans om tijdens de eerste levensjaren begeleid te worden in een kinderopvang. Als ze niet in een kinderopvangcentrum terecht kunnen, en daarbovenop ook thuis weinig stimulansen aangeboden krijgen, kan dat zorgen voor de opbouw van een achterstand. Deze achterstand kan pas worden weggewerkt vanaf het kleuteronderwijs. 2,5 jaar lang zouden kind én ouder echter kunnen bijgestaan geweest zijn. Deze achterstand bij aanvang van het kleuter -of lager onderwijs moeten eruit. Door de begeleiding frequenter en vroeger op te starten, kan er ook voor elk kind meer informatie bijgehouden worden, die – indien nodig – gebruikt kan worden in latere levensfases of, bijvoorbeeld, bij doorstroming naar het lager onderwijs of nog later.

Paul Delva besluit: “De projecten die momenteel bestaan, zoals het Huis van het Kind Brussel en de Baboes, waarbij in samenwerking met partners ruimte gegeven wordt voor opvoedingsondersteuning en leren en spelen, zijn hoopvolle zaken die we moeten behouden en uitbreiden. We moeten in Brussel durven blijven zoeken naar methodieken waarbij we de gezinnen die het meest baat hebben bij een betere begeleiding kunnen bereiken. Zelfs als dat betekent dat we als gemeenschap uit onze eigen comfortzone moeten treden, ten voordele van de ontwikkelingskansen van onze jonge Brusselaars.”

[bijlage: artikel uit Bruzz-magazine van 8 november 2017]

Welkom bij CD&V. Onze websites maken gebruik van cookies om jouw gebruikservaring te optimaliseren. Lees onze Cookie Policy voor meer informatie. Ons cookiebeleid en deze voorkeuren gelden voor alle CD&V-websites. Door op 'Akkoord' te klikken, ga je akkoord met de geselecteerde cookies.